Examples of using Armin in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De zachte sedimenten die Armin en Maarten met hun MUC verzamelden,
danken hun vrolijke aanwezigheid van de familie Armin, voor handdoeken je moest gewoon vragen,
danken hun vrolijke aanwezigheid van de familie Armin, voor handdoeken je moest gewoon vragen,
Armin, vlucht.
Armin, zoon!
Ik heet Armin.
Hij is Armin.
Hier is Armin.
Armin, niet doen!
Armin is nog daar.
Dat is Armin Morsofian.
Armin, ik moet ophangen.
Armin, mijn zoon!
Armin, dat was zo.
Luister naar me, Armin.
Dat is Armin van Buuren.
Armin DUTTINE Werknemers- DE.
Michael Maloumian en Armin Talajian?
Waar is Armin nu?
Armin Tamzarians schrikbewind is over.