Examples of using Azazel in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Dit was Azazel.
We kunnen Azazel dwingen.
Je hebt Azazel verbannen.
Was hij Azazel?
Azazel wilde de Levensbeker.
Azazel. Ik heet Sebastian.
Azazel gaat richting het zuiden.
Ken je Azazel nog?
Nieuws over Azazel. Van Jace.
Je weet van alles over Azazel.
Sebastian weet alles over Azazel.
Eerst schakelen we Azazel uit.
Emma, Banshee. Angel, Azazel.
Azazel… neem dit offer in ontvangst.
Emma, Banshee. Angel, Azazel.
Azazel heeft ons verwisseld met een vloek.
Nee. Eerst schakelen we Azazel uit.
Maak je klaar voor m'n heer Azazel.
Hij weet duidelijk meer over Azazel dan wij.
Op die dag vermoorde Azazel je moeder.
