Examples of using Deano in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Waar is Deano?
Deano. Alles goed?
Niet waar, Deano?
Heeft Deano me verlinkt?
Deden wij. Sorry, Deano.
Wat denk jij van Deano?
Hé Deano, wacht even!
Deano en Truman hebben de informant.
Is je ma thuis? Deano?
Is je ma thuis? Deano?
Klaas, Elly en Deano van harte gefeliciteerd.
Mammie, Deano is er nog niet.
hè, Deano.
Rory en Deano zijn vanmorgen getrouwd.
Nee, Mammie, een homeopatisch medicijn.- Deano?
En Deano, sleepte een zigeuner vrouw achter zijn auto.
Als Deano een lolly was, zou hij zichzelf doodlikken. Mmm.
Als Deano een lolly was,
Je weet wel, Deano, weet je, hij zegt het allemaal.
Zeg hem om thuis te komen, hij en Deano, zijn man.