Examples of using Faken in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Zo'n blik kun je niet faken, geloof me.
Een zwangerschap faken.
Dat soort enthousiasme kun je niet faken.
Wij maken geen geld, faken deze goederen.
Iedereen kan een foto faken.
Versus faken.
Dit kun je niet faken.
Een trauma faken.
Zelfs ik kan dat niet faken.
Chris, deel van een man zijn is dingen faken.
Geloof kun je niet faken.
De moordenaar zal zijn identiteit faken net zoals wij zijn.
De moordenaar zal zijn identiteit faken net zoals wij zijn.
We moeten het faken.
Ze was duidelijk aan 't faken.
Ik zal het faken.
Daarnaast is het faken van een accent uitermate moeilijk.
Faken staat voor mij op nummer drie omdat het voor jullie beiden gruwelijk slecht is.
Het-het is alleen die faken hartaanvallen, en bevallen,
Dingen faken maakt deel uit van een vrouw te zijn.