Examples of using Harri in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Tot ziens, Harri.
Harri. Ik moet gaan.
Harri. Ik moet gaan.
Ik moet gaan. Harri.
O, Harri, vooruit.
Het is aan jou, Harri.
Harri, ga zitten alsjeblieft.
Neem het Harri niet kwalijk.
Harri heeft waarschijnlijk Lotta neergeschoten.
Laten we erin duiken, Harri.
Kan Harri Lotta hebben doodgeschoten?
Kom naar huis, Harri. Bedankt.
Harri van 15 programmeert computersystemen voor bedrijven.
Echt, Harriet.-Ik heet Harri.
Harri van 15 programmeert computersystemen voor bedrijven.
Harri van 15 programmeert computersystemen voor bedrijven.
Henrik haatte Harri omdat hij zichzelf haatte.
Hij is op zoek naar wat dode Harri.
Harri zei dat iedereen Henrik dood wenste.
De heer Harri TIIDO ambassadeur,