Examples of using Jacinta in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Goedemorgen, Jacinta.
Jacinta.-Jacinta. Je oma heette Jacinta. .
Zij hebben Jacinta betaald.
Jacinta heeft het getekend.
Ze zijn voor Jacinta.
Heb je Jacinta gevonden?
Misschien tekende Jacinta geen bloemen.
Jacinta moet blijven en rusten.
Jacinta, hoe is het?
Nee. Hij trouwt met Jacinta.
Jacinta, je hebt een mooie grot.
Hij moet bij Jacinta O'Connor gaan wonen.
Jacinta O'Connor zei dat ze naar een.
Is het Molly McGee? Jacinta.
Zag je hem weggaan met Jacinta?
Jacinta heeft 'n spoor broodkruimels achter gelaten.
Jacinta, je hebt een mooie grot.
Jacinta O'Connor zei dat ze naar een.
Hij heeft een Mexicaanse oma, Jacinta.
Oh, hou op over Jacinta te praten!