Examples of using John-john in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Hier, John-John. Heb jij honger?
Bedankt, om langs te komen, John-John.
Mijn hemd gaat niet uit, John-John.
Wat hebben ze gedaan, John-John?
John-John, luister nou eens even naar mij?
Verrekte verjaardagen. t Is mijn verjaardag, John-John.
O, god. John-John, ben jij dat?
Ik betaal ook al voor Ato en John-John.
Ik wist niet dat hij het ging doen. John-John?
Dat is om een wortel te schillen, John-John!
Ze had heel wat over je te vertellen, John-John.
Sheez, John-John, je gaat 'm nog pijn doen zo.
Is dat zo? Je hebt het echt koud, John-John.
Het is John-John, de jockey waarover ik je over vertelde.
Dashell's nichtje zei me iets… waarbij ik voelde dat John-John misschien in problemen zit.
Kijk, John-John, wat vanavond voorviel is heel erg spijtig,
Ja… En weet je, ik wil het John-John en die dode agenten niet kwalijk nemen.
Kijk, John-John, wat vanavond voorviel is heel erg spijtig, maar je moet verder gaan.
Ik als John-John, maar we… Nee, dat hebben we trouwens wel een paar keer gedaan.
En weet je, ik wil het John-John en die dode agenten niet kwalijk nemen… 't Is gewoon.