Examples of using Marcheer in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik marcheer correct de heuvel af.
Nu marcheer ik als een gek.
Nu marcheer ik als cadet.
En ik marcheer op de maat van mijn trom.
En raap mijn helm op, en marcheer terug.
Dat ik naar de oorlog marcheer?
Je weet dat ik naar Koningslanding marcheer.
En ik marcheer op het ritme dat ik drum.
En ik marcheer op het ritme dat ik trommel.
Ik marcheer naar het Dreadfort.
Ik marcheer je door de poort.
Nu marcheer ik iedere dag.
Ik marcheer naar binnen.
Ik marcheer er heen en sla zo hard als ik kan.
Ik marcheer met de troepen.
Nu marcheer ik iedere dag.
Ik marcheer naar buiten en bestel voor me een kreeft.
Dan marcheer ik voor hem.
Ik marcheer 45 meter over het veld op mijn dubbele blaren, met benen die bijna doorzakken.
Al 18 jaar marcheer ik de hel in en ik heb die meegebracht.