Examples of using Panikeren in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Panikeren gaat niemand helpen.
De Taelons panikeren, we wisten het.
Stop met panikeren en richt je op het plan.
Niet panikeren voor de lange gedaan is.
Hij kan panikeren, zijn routine wijzigen.
Naast panikeren om het einde heb ik ook nog een ander idee.
Niet panikeren?
Ik wil niet dat er iemand gaat panikeren.
Dus wat als we… panikeren?
Maar jullie gaan niet panikeren.
En mensen panikeren.
Dus wat vertel ik hen als ze gaan panikeren?
Zeg me niet dat ik niet mag panikeren.
Ik ga bijna panikeren.
Simpsons, jullie moeten niet panikeren.
We willen de toeristen niet panikeren.
En we gaan niet panikeren.
Een kleine crisis en ze panikeren! Help ons!
Help ons! Een kleine crisis en ze panikeren!
Ze wou geen vliegtuig vol passagiers laten panikeren.