Examples of using Speelgoedmaker in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Geen uitweg deze keer, Speelgoedmaker.
Dan moet je de speelgoedmaker verslaan.
Waar ben je, Speelgoedmaker?
Die oude witte vent is Heinz Richter, de speelgoedmaker.
Want ik ben de Speelgoedmaker van het Jaar.
Nu heb ik je speelgoedmaker.
De man die ze de Speelgoedmaker noemen.
Mag ik? De Speelgoedmaker.
Een speelgoedmaker. Je had de familiezaak moeten voortzetten.
Ik hoop dat de speelgoedmaker wat breinaalden heeft.
Mijn ouders denken dat je speelgoedmaker uit Canada bent.
Een speelgoedmaker.
Ze was de gevangene van de Speelgoedmaker.
Het ontwerp van de Speelgoedmaker.
De Speelgoedmaker's bloedlijn bestaat nog.
Blikslagers, speelgoedmakers. Kooplieden, mijnwerkers.
Blikwerkers en speelgoedmakers. Koopmannen, mijnwerkers.
De vindingrijkheid en creativiteit van deze speelgoedmakers… Het speelgoed ging altijd voor.
Kooplieden, mijnwerkers… blikslagers, speelgoedmakers.
Pak onmiddellijk een wapen… En stuur die speelgoedmakers naar de hel!