Voorbeelden van het gebruik van Autorijden in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wacht even. Je kunt toch wel autorijden, hè?
Mijn vader probeerde mij te leren autorijden.
Lams kasserol en autorijden, niet.
Ze mag niet eens autorijden.
Het is net als autorijden.
Het is echt niet lastiger dan autorijden.
Ik kan eten maken en autorijden.
Je kunt nauwelijks autorijden, ijzerhoofd.
Ik hou van autorijden.
Ik leer autorijden.
Hoe kun je autorijden.
Maar het is net als autorijden.
Dit is net autorijden in Engeland.
Ze vindt je alleen leuk omdat je mag autorijden.
Je leerde me autorijden en scheren.
Toen liepen we hand in hand naar huis, want autorijden kon ze niet meer.
Nee.- Dan kun je autorijden.
Maar jij kunt niet eens autorijden.
Wolfman kan niet autorijden.
Je bent voorbestemd om te leren autorijden.