Voorbeelden van het gebruik van Chica in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Chica. Moeilijk.
Luister naar chica.
Word wakker, Chica.
Voor je"chica.
Dat klopt, chica.
De tijden veranderen, chica.
Lijk ik Spaans? Chica'?
Die dagen zijn voorbij, chica.
Alles in orde, chica?
Wat scheelt er, chica?
Hier staat'Chica go Bills'.
Zoek je iemand? Hey, chica!
Ik ben trots op je, chica.
Sneller, Chica. Kom op!
Dan mag ie wel opschieten, chica.
Je vergeet de rat. Hé, chica.
Je mag me voortaan'chica' noemen.
Zoek je iemand? Hey, chica!
Sneller!- Kom op, Chica!
Ik noem ons: Chica en de Man.