Voorbeelden van het gebruik van Fridge in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ben je dronken, Fridge?
Fridge… Geef me het juweel?
Fridge… Geef me het juweel.
En dan ben jij Fridge.
Fridge, geef het juweel aan mij.
Fridge. Ik ben Spencer.
En dat ben jij Fridge.
Fridge, niet doen.
Fridge, alles in orde?
Mijn God. Fridge? Ja?
Fridge, geef mij het juweel?
Mijn God. Fridge? Ja.
Fridge, geef mij het juweel.
En ik ben Mike the Fridge.
Ja, ik ben Fridge, wie ben jij? Fridge? .
Hé, Fridge! Dit weekend.
Dag Fridge. Dit weekend, ja.
Hé, Fridge! Dit weekend.
Fridge, alles in orde?
Wie ben jij? Ja, ik ben Fridge.