Voorbeelden van het gebruik van Nora in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Nora, hoeveel heb jij er?
Gisteravond ben je iets van Nora verloren, toch?
Wij zijn Dean en Nora Brannock.
Nora. Wat doe jij hier?
Dit is het dossier uit Parijs, in verband met de getuigenis van Nora.
Ga dan naar de jaarmarkt, Nora.
Nora, ik blijf niet eten.
ontvoerde de baby van Charles en Nora.
Jane. Oké. Ik ben Nora.
Nora? Niet tijdens mijn dienst.
Alles wat er gebeurt, is niet het werk van Nora.
Nee, ik vind Nora niet leuk.
Nora, wie is dat?
Een nieuwe uitdaging: Nora laten klaarkomen!
Jullie zijn Máximo en Sara en Nora Gallardo.
Nora, je moet hier weg.
Jouw familie is uit elkaar, Nora haar familie is uit elkaar.
Hij verloor zijn vrouw, Nora en hij verloor Barry.
We zijn er bijna, ik voel 't.-Nora, toe….
Het vriendje ontvoerde uit wraak de baby van Charles en Nora.