Voorbeelden van het gebruik van Orin in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Saaie Orin.
Hoi, Orin. Eikel!
Orin vindt haar wel.
Orin. Nee, alsjeblieft.
Deze man is Orin Selby.
Ben jij Orin Tuck?
Orin. Je verpest alles!
Dat was gewoon mazzel, Orin.
Ik ben het Roger, Orin.
Wat is er, Orin?
Orin heeft het Boze Oog.
Orin Dennis, wiskunde en sociologie.
Rodgers, Orin, naar boven.
Nee, alsjeblieft, noem me Orin.
Het Arbeidscomité heeft Orin Zento gestuurd.
In een visioen zag ze Orin.
Ik plaag maar. Saaie Orin.
Orin, je verpest een perfect moment!
En Orin wil het nog steeds hebben.
Hij betaalde Orin voor de Two Diamonds.