Voorbeelden van het gebruik van Patrik in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Weet Patrik dat?
Zijn naam is Patrik.
Dit is voor Patrik.
Ja, of gewoon Patrik.
Patrik is daar aanwezig.
Heel goed, Patrik.
Patrik… We nemen 'm.
We gaan met Patrik babbelen.
Waar is onze Patrik?
We doen dit voor onze Patrik.
Luister naar me, Patrik.
Wat doet Patrik hier?
Patrik heeft verschillende misdaden gepleegd.
Patrik, we gaan naar huis.
Deze zaak gaat over Patrik Eriksson.
Heeft Patrik al een spoor?
Als het over Patrik gaat.
Ik zal het tegen Patrik zeggen.
Waarschijnlijk is de man Patrik Hansson.
Patrik, moet je dit zien.