Voorbeelden van het gebruik van Vastgoed in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Joseph Riley, managing principal makelaar van Brandies Vastgoed.
Misschien vastgoed.
Nee. Wat heeft vastgoed hiermee te maken?
Ik ben Joseph Riley van Brandeis Vastgoed.
Dairy Queens zijn zoals vastgoed in California.
Er staat Harriet Davis Vastgoed op.
Jij en Cissy hebben dat vastgoed.
Canning heeft vastgoed.
Ik hoorde dat Davis Vastgoed er geweest was.
Bishop. Agressief rijden en vastgoed.
Jij en Cissy hebben het vastgoed.
Schatje, vastgoed is een goede belegging.
Dat is als een draaideur. Uw vastgoed.
Het kopen van een vastgoed in Turkije kan heel gemakkelijk zijn.
Ik ben Ashley Alexander van Ashley Alexander Vastgoed.
Koop geen vastgoed in Manchester.
Wij zijn van hanbit vastgoed.
Of wij kopen als bedrijf uw vastgoed.
We hebben spaargeld en vastgoed.
vakantie in eigen vastgoed.