Voorbeelden van het gebruik van Afbellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
We moeten heel wat afbellen.
Je moet de aanval op mijn vrienden afbellen.
Zal ik het afbellen?
Die staat voor m'n huis. Vergeten afbellen.
Je wou toch afbellen?
We moeten de ziekenhuizen afbellen.
Jullie hadden me wel even mogen afbellen.
Had ik ze moeten afbellen?
Ik had die afspraak met Foley moeten afbellen.
Je kan je advocaat afbellen, OK?
Frankie, je kunt beter Jack afbellen.
Je moet hem afbellen.
Vergeten afbellen.
Je moet hem afbellen.
Kunt u hem niet afbellen?
Vergeten afbellen.
Ik kan de huurmoordenaars afbellen, omdat Elizabeth North al dood is.- Laat dat een grapje zijn.
En sommige mensen zullen ziek voor de hele dag werk afbellen, omdat hun vingernagel gebroken is. Of zoiets.
Als je ons helpt, en je laat ons het speurtocht afbellen, kunnen we een goed woordje doen met de D.A.
Als er een ziek kind binnengebracht wordt, moet ik je afbellen. En dan ben je weer boos.