Voorbeelden van het gebruik van Dag-dag in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Dag-dag! Wacht nou.
Dag-dag. Dag zoon.
Dag-dag. Gedraag je.
Hij zei'dag-dag.
Ontzettend bedankt. Dag-dag.
Dag-dag. Niet hier.
Wacht nou.- Dag-dag!
Dag-dag.- Ontzettend bedankt.
Het klonk als'dag-dag.
Dag-dag.- Bedankt, vriend.
Gaat het hondje dag-dag?
Dag-dag. Krijg ik nog een kus?
Goed. Geef haar maar een dag-dag toet-toet.
Martha. Zeg,"Dag-dag, vogeltje.
Dag-dag. Ik wil weg van huis.
Dag-dag. Krijg ik nog een kus?
Ik wil weg van huis.- Dag-dag.
Dag-dag. Ik wil weg van huis.
Dat was een beetje gek.-Dag-dag.
Einde verhaal! Dag-dag, tot later!