Voorbeelden van het gebruik van Landstitel in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Met de club won hij twee keer de Engelse landstitel.
In 2001 veroverde Vanderhaeghe met paars-wit zijn eerste landstitel.
De beide winnaars streden vervolgens in een best-of-five-reeks om de landstitel.
Het was de derde landstitel voor de club.
Het jaar daarop volgde de landstitel.
In 2010 veroverde hij zijn derde landstitel.
Hij won in 2010 de Spaanse landstitel.
In 2011 won ze de landstitel met de club.
Met die club won hij acht jaar op rij de landstitel.
Twee jaar later won de club de eerste en enige landstitel.
Hij won met de Catalaanse club eenmaal de landstitel.
In 1954 won hij met Boca de landstitel.
Daarbij won hij één keer de landstitel.
De club pakte zowel de beker als de landstitel.
Aan de hand van Cruijff pakt Feyenoord de landstitel én de beker.
Deze clubs strijden normaliter met elkaar om de landstitel, met enkele uitzonderingen daargelaten.
We kwamen dat seizoen ontzettend dicht bij de landstitel.
We kwamen dat seizoen ontzettend dicht bij de landstitel.
We kwamen dat seizoen ontzettend dicht bij de landstitel.
won met de club de Schotse landstitel.