Voorbeelden van het gebruik van Toonbaar in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Semi-gepolijst porseleinen tegels geven de kamer toonbaar.
Ik wilde alleen zeker weten dat iedereen toonbaar was hier.
Maak jezelf toonbaar.
Deakins, ben je toonbaar, man?
Maak je een beetje toonbaar, stelletje zwervers.
Hallo? Rog?! Ben je toonbaar?!
Dan moet je eerst toonbaar zijn.
Zijn jullie toonbaar?
Ik maak mezelf toonbaar.
Hallo? Rog?! Ben je toonbaar?!
Hij zal vast toonbaar zijn.
Ik hoop dat je toonbaar bent.
Iedereen toonbaar?
Zodra ik toonbaar ben, zal ik de septon direct halen.
De man moet toonbaar zijn. Stop, stop!
Als ik toonbaar ben, zal ik onmiddellijk de septon roepen.
We probeerden haar zo toonbaar als mogelijk te maken.
Ga die jongen toonbaar maken, zodat z'n vader hem kan zien.
Haar toonbaar heft gemaakt.
Zorg dat die jongen toonbaar is voor zijn vader.