Voorbeelden van het gebruik van Trish in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Trish heeft je nodig.
Ik moet naar Trish.-Nee.
Je kent Trish, die gaat als een speer.
Trish is geweldig.
Ik ben Trish. Ik heb die naam beroemd gemaakt!
Wij zijn Trish en Scott.
Van Trish? Een vijf, ongeveer.
Van Trish? Een vijf, ongeveer?
Weet je het zeker, Trish?
Zag je dat berichtje van Trish?
Het speeksel van Trish zit daarop.
Vertel waarom je Trish verkrachtte.
Ben je daarheen gegaan, Trish?
Ik heb geen hoer nodig, ik heb Trish.
Ik ben de stiefmoeder van, Trish.
Waarom ben jij zo sterk, Trish?
Appartement op de vijfde verdieping verhuurd aan Trish Parker.
Dat is vast Trish.
En u kan mij dragen Trish pooh!
Ze doet haar eigen surveillance. Het is Trish.