Voorbeelden van het gebruik van Teamspeler in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je bent een teamspeler, klantgericht en hecht veel belang aan kwaliteit, orde en netheid.
ik ben niet zo'n teamspeler.
Maar ik moet je vertellen dat als je 3.000 honkslagen haalt… je geen teamspeler hoeft te zijn.
Ik maakte al die cakejes. Ik ben helemaal voor het zijn van een teamspeler, maar mijn familie komt eerst.
dat was een deel van zijn werk en hij wou een teamspeler zijn.
Daar was hij geen teamspeler, want het gloriemoment is voorbij- Dzagoev kwam in alle drie de wedstrijden op het veld, maar alle drie keer vanaf de bank.
Als een teamspeler een probleem met een ander heeft,
optimisme en de bereidheid een teamspeler te zijn.
Probeer jij altijd je teamspelers te vermoorden?
En dat zijn vrouwen van teamspelers?
Samenwerken en inleggen om te helpen- Teamspelers reageren op verzoeken om hulp
De focus zijn teamspelers en hun lot, liefdes,
de modules zijn teamspelers.
Dat is ons, de teamspeler.
Ik ben niet echt een teamspeler.
Ik was toch al niet zo'n teamspeler.
Ik ben niet echt een teamspeler.
Ben je een teamspeler, of niet?
Zie ik eruit als een teamspeler?
Nee, ik was nooit echt een teamspeler.