Voorbeelden van het gebruik van Elspeth in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Het is Elspeth.
Ze heet Elspeth.
Jij en Elspeth.
Wat, Elspeth?
Jij bent Elspeth.
Boeken van Elspeth Cooper.
Waar is Elspeth?
Elspeth had een minnaar.
Dat zal Elspeth zijn.
Dus, niet Elspeth?
Elspeth, ik ben hier.
Het is link, Elspeth.
Ik vind 't vreselijk, Elspeth.
Ik ben Elspeth Dickens, godin.
Maar jij en Elspeth waren geliefden?
Ik ben Elspeth Dickens, godin!
Tijd staat aan mijn kant, Elspeth.
Het was van mijn Elspeth.
Blijkbaar heeft Elspeth het toch gevonden.
Of niet soms, Elspeth?