Examples of using Buitenlander in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je bent een buitenlander.
Jij bent hier de buitenlander.
En die vent was echt een buitenlander.
Nee, mevrouw. Buitenlander, buurman, vijand, Hizbuddin, geld?
De twee dagen geleden gearresteerde buitenlander werd vandaag vrijgelaten.
Als hij een buitenlander is.
Geduld, buitenlander.
Ik ben Firangi, de buitenlander.
Als buitenlander moet u bovendien ter plekke betalen. Hotels.
En ik dacht dat u een buitenlander was.
Het spijt hem erg. Hij is een buitenlander.
Maar voor een buitenlander.
Nederlanders je toch blijven zien als een buitenlander.
Sorry, ik ben een buitenlander.
(2) Het burgerschap kan niet aan een buitenlander worden toegekend.
We zijn allebei buitenlander.
Poirot, u bent buitenlander.
Het kopen van een kaartje is voor een niet Russisch sprekende buitenlander niet altijd even gemakkelijk.
Guy? Een buitenlander.