Examples of using Dat leren in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Dat leren saai zou zijn.
Dat leren ze op school.
Mama zegt dat leren een geschenk is.
Aye. Dat leren ze snel.
Mama zegt dat leren een geschenk is.
Dat leren ze snel.- Aye.
Ik weet dat leren niet zo cool is als jagen met pijl en boog.
Dat leren ze snel.- Aye.
We geloven dat leren altijd beter kan.
Aye. Dat leren ze snel.
Ze waren zich bewust van dat leren.
Ja, dat leren wij met archeologie.
Bij Vlerick Business School geloven we dat leren een continu proces is.
Ga ik dat leren?
Anderen zullen ergens anders gaan, tot zij dat leren.
Hopelijk zullen zowel T-Mobile als andere dienstverleners dat leren.
Ik moet dat leren.
Nou, dan moet je dat leren.
Ik moest dat leren.
Dat leren we ook op school, hoor.