Examples of using Filips in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Filips, alsjeblieft.
Filips, ik laat me niet wegsturen.
Filips, dat is niet jouw schuld.
Filips. Nee, stop ermee!
Filips, dat kun je niet doen.- Elena, nee.
Filips, dat kun je niet doen.- Elena, nee!
Filips, hij had de omstandigheden tegen zich.
Lodewijk Filips(21 maart 1887- 1 februari 1908), hertog van Braganza.
In 1580 zette Filips een beloning op het hoofd van Willem van Oranje.
Filips de Goedestraat 34.
Filips de Goedestraat 34, bus 33.
Alles begon toen Filips grootvader in 1902 startte met duivensport.
Filips(7 juni 1712- 29 december 1719) infante van Castilië.
De kerk had Filips weten te bewerken.
Filips, alleen hij kan me helpen.
We steunen Filips toch?
En Filips is uw broer
Koning Filips II van Frankrijk heroverde het fort echter in 1206.
Filips is een godvrezend man. Hij moet 'n oorlog kunnen rechtvaardigen.
Filips' korte regeringsperiode als koning eindigde amper twee jaar na zijn kroning.