Examples of using Knabbel in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik knabbel als ik opgewonden ben.
Ik knabbel alleen 'n beetje.
Taralli, die lekkere zoute knabbel die je overal in Puglia kan kopen.
Rust zacht, kapitein Knabbel.
Het verhaal van Benjamin Knabbel/ verteld en geillustreerd door Beatrix Potter.
Knabbel op!
Zoals Knabbel. Maar wit in plaats grijs.
Knabbel en Babbel zijn net binnengelopen.
Knabbel opzetstuk voor boormachines.
Hé, Knabbel, je vriendin wacht op jou.
Knabbel'? Waarom noem je me zo?
Hier vindt u de snack klassiekers en Italiaanse knabbel specialiteiten.
Eens per week komen we samen voor een babbel en een knabbel.
Hij is de tegenovergestelde versie van Knabbel.
Hij zei altijd:'Wat moet je met drank zonder knabbel?
Ik knabbel het op.
Knibbel, knabbel, knuisje, welk ongedierte spookt er rond in mijn huisje?
Knabbel, knabbel, als een muisje, wie knabbelt er aan mijn huisje?
Kaylee wint de oorbellen en de sleutelhanger en Knabbel komt in de spotlight te staan.
We kregen een glaasje wijn met een knabbel en een uitleg over de ruimte.