Examples of using Ler in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Woensdag, 13 Februari 2019 in Ler de weersvoorspelling zou zijn.
Oh, een ler.
Hoe kan Alvarez het van de ler weten?
Begin aan je review voor Ler Devagar.
Nu praatje als een ler.
Betaal wat je schuldig bent, ler.
Weer en meteorologische omstandigheden opMaandag11Februariin Ler.
Dat is mijn vriend, ler.
Ja, ik ben een zwarte ler.
Zie de weersverwachting per uur in Ler.
We lappen de ler wel op.
Lk ben er trots op een ler te zijn.
Zeg vanaf nu maar Ler tegen me.
Je praat als 'n ler.
Ik ben er trots op een ler te zijn.
maar niet de ler.
Zeg vanaf nu maar Ler tegen me.
Nu praat je als een ler.
Arsus en Ler.
Ik ben een ler.