Examples of using Louche in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Hij is louche, zij is een snoepje.
Dat bewijst dat hij louche is.
Vrouwen willen geen melige zinnen en louche insinuaties.
Deze jongens zijn louche.
Ze doen vast hetzelfde louche werk als ik.
Louche Pete… volgens Kramer ben je een steengoede elektricien.
Louche wil dat je afsluit.
Louche advocaten voor vuil gewin.
Louche kleine agenda's.
Jij louche kleine.
Mr Samdi. Die louche zakenman?
Klinkt behoorlijk louche.
Daarom heb ik deze louche deal aanvaard.
Aardige man, misschien een beetje louche.
Geloof me, George, op Louche Pete kun je bouwen.
Wat? Louche advocaten voor vuil gewin.
Louche zwerver, schattige egels?
Pieter van Wissing, In louche gezelschap.
Ze is louche.
Je gaat medeplichtig zijn aan louche dingen.