Examples of using Luisa in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Luisa, in een badjas, zonder aanwijsbare reden.
Luisa, in een badjas, zonder aanwijsbare reden.
Luisa, in een badjas, zonder aanwijsbare reden.
Wil je met Luisa en mij meerijden?
Luisa heeft een schema gemaakt.
Wil je met Luisa en mij meerijden?
Rennen. Dankzij Luisa ontdekten we haar plan!
Rennen. Dankzij Luisa ontdekten we haar plan.
Dankzij Luisa ontdekten we haar plan.
Beloof je dan dat je voor Luisa gaat werken?
Ik dacht dat je zus Luisa misschien interesse had.
De vrouw die zich voordeed als Luisa.
Nu kan ik vertellen dat Luisa in orde is.
En wij zien of Luisa het goed maakt.
We moeten gaan, Luisa.
Ik zag hem bij Luisa.
Dat moet Luisa zijn.
Mauro's vrouw.- Ja. Luisa.
Luisa, de kleine Spaanse van ons team, is het niet helemaal eens met deze stelling.
Gentile Maria Luisa, we zijn erg blij