Examples of using Prater in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je was altijd al een prater.
grote prater.
Vlakbij de Prater.
Jij, de prater.
Carmen is een charmante gastvrouw en prater.
Misschien kan je voor het toneelstuk eerst naar de Prater gaan.
dat is een prater.
In de verte is het reuzenrad te zien van Prater.
Hij is grote prater.
Ik ga maar eens naar het Prater.
Hij is een prater.
Misschien kun je voor het toneelstuk naar 't Prater.
Hitler was een prater.
Twee keer groter als het pand bij de Prater.
We hebben weer een prater.
Je bent ook een prater.
Ik ontmoette hem in een café in de Prater.
Ik herken hem. Een prater.
We gaan naar de Prater.
Een aquarel van het reuzenrad in het Prater.