Examples of using Win in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Win een afspraakje met Tad Hamilton.
Ik win, jullie drinken. Slechtste dag.
Ik win graag van je.
Op dit punt win je snelheid en bespaar je tijd.
Waarom win ik nooit van je?
Zo win je echt.
U wint, ja.- Ik win.
Hierbij win ik dus ook!
Als ik races win, verkoop ik boten.
Met opgeven win je niets, Todd.
Ik win nooit van jou.
Daarmee win je een WK, met een beetje geluk soms.
En ik hoop dat ik win.
Zelfs als ik win, wie neemt me daarna dan nog aan?
Win de verkiezingen maar.
Nu win ik van u, Mr. Danger. Bush.
Ik win wel iets.
Ik win liever één voor één.
Verenig je met Verdier en win.
Ik win al drie jaar op rij.