APOTHEKER - vertaling in Duits

Apotheker
apotheek
drogist
Pharmazeut
apotheker
Apothekers
apotheek
drogist
Apothekern
apotheek
drogist
Pharmazeuten
apotheker

Voorbeelden van het gebruik van Apotheker in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits

{-}
  • Colloquial category close
  • Medicine category close
  • Official category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Nee. Garin was een apotheker.
Nein. Garin war Apotheker.
Hij was een apotheker.
Er war Apotheker.
Nee. De apotheker was er niet.
Der Apotheker war nicht da. -Nein.
Hij moet apotheker worden.
Er sollte Apotheker werden.
Hij was geen apotheker.
Er ist kein Apotheker.
Een apotheker, die studeert voor chef-kok… dat is erg interessant.
Ein Drogist, der Koch werden will. Das ist ja hoch interessant.
Wij hebben een apotheker die aan huis levert.
Wir haben eine Apotheke die liefert.
Hij of die apotheker die zelfmoord heeft gepleegd?
Er oder der Apotheker, der sich umbrachte, als sie ausgingen?
Uw arts, verpleegkundige of apotheker weet hoe Zometa het beste bewaard kan worden.
Ihr Arzt, das Pflegepersonal oder der Apotheker wissen wie Zometa ordnungsgemäß aufbewahrt werden muss.
Bespreking aan uw apotheker als u vragen over deze informatie hebt.
Sprechen Sie mit Ihrem Arzt oder Apotheker, wenn Sie Fragen zu diesen Informationen haben.
Praat met uw apotheker als u vragen heeft over deze informatie.
Sprechen Sie mit Ihrem Arzt oder Apotheker, wenn Sie Fragen zu diesen Informationen haben.
Onze apotheker die verantwoordelijk is voor de aankoop van Élisabeth.
Unsere Apothekerin, die für den Kauf von Élisabeth zuständig ist.
De apotheker die een deel van die recepten heeft verstrekt…… is in dit ziekenhuis vermoord.
Die Apothekerin, die Ihnen einige Medikamente aushändigte, wurde hier ermordet.
Ik ben geen apotheker.-Arnica. Wat?
Ich bin keine Apotheke. Was?- Arnika?
De apotheker zegt dat het nog niet klaar is.
Die Apotheke sagte, sie ist noch nicht fertig.
Nee, ik ben een apotheker, ik doe geen overvallen.
Nein, nein, ich bin Chemiker, ich mache so etwas nicht.
De apotheker kwam langs en heeft ons allemaal opgevrolijkt.
Der Pharma-Mann war da und hat uns mit Weihnachtsfreude vollgepumpt.
De apotheker kon niks zeggen.
Die Apothekerin konnte nicht viel sagen.
Echt? Want als je apotheker bent, ben je een soort dokter maar ook kassier. Ja.
Ein Apotheker ist eine Art Doktor, aber auch Kassierer. Echt? Ja.
Dat is de apotheker van de neprecepten.
Das ist die Apothekerin mit den gefälschten Rezepten.
Uitslagen: 2071, Tijd: 0.0464

Top woordenboek queries

Nederlands - Duits