Voorbeelden van het gebruik van Bonbon in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Denkt BonBon dat?
BonBon maakte een omelet voor ontbijt.
Elke chocolade bestaat uit premium cacaobonen en andere ingrediënten die afhankelijk zijn van elk type bonbon.
Geen bonbon. Geen hardliner.
Hier, neem een bonbon.
Een bonbon?- Dank u zeer.
BonBon. Jij ook hallo.
Wat een dag. Bonbon?
Wil je een bonbon?
Ray, ik ben je bonbon.
Wenst u iets? Een bonbon?
Een bonbon?- Dank u zeer?
Die. Bedankt. Een bonbon?
Een bonbon? Een bonbon? .
Misschien geef ik je wel een bonbon.
Wil je een bonbon? Het gaat al?
Hoe is het leven van mijn BonBon?
Dineren bij Le Bonbon met 300 rozen op tafel.
Bonbon zei dat de politie lang zou komen.
Heb je ooit met enig vertrouwen zo'n bonbon gepakt?