Voorbeelden van het gebruik van De fiets in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Telefoonhouder universeel toepasbaar voor op de fiets.
Tevens wordt aandacht besteed aan het meenemen van de fiets in de trein.
Op de fiets.
Bedankt voor de fiets.
De fiets staat er.
Nee. Klim op de fiets.
Wie stal de fiets van agent Vermaas vorige donderdag voor het station?
Jij zou dat kleine belletje zijn op de voorkant van de fiets.
Ik zie de wereld graag vanaf de fiets.
Ik ben op de fiets.
Ik herkende de fiets.
En we kwamen haar tegen op de fiets.
Nee, bedankt. Ik ben met de fiets.
Terug op de fiets.
Ik neem de fiets.
Je maakt de fiets heel gelukkig.
Neem de fiets.
De fiets van je broer!
Ik ben met de fiets, dank je.