Voorbeelden van het gebruik van Juwelier in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Afspraakje met dat meisje van de juwelier.
Schaus werd geboren in Luxemburg als de zoon van een juwelier.
Of de juwelier omdat die hem gemaakt heeft.
Oud hulpmiddel: de aambeelden van de juwelier- bronzen.
variërend van kaartenwinkel tot juwelier.
Ik ben nog vrijwel nooit bij een juwelier geweest.
Lemoine heeft die juwelier met hem overvallen. Francis Verkauteren.
Dat is de naam van de juwelier, waarbij ik hem kocht.
Ze heeft een juwelier beroofd.
Een overval op een juwelier.
Ik ben juwelier.
Werk je bij de juwelier?
Vast iets wat veel lucratiever voor ze is dan de juwelier.
Voor een gewapende overval op een juwelier. De politie zoekt hem.
Jemma, was het jouw idee om die juwelier te beroven?
Euro? Is dit een juwelier?
Parker heeft ze uit de maag van de juwelier gehaald.
Ja, de juwelier.
Tiffany's? Je bedoelt de juwelier?
Ik hoorde een telefoongesprek met Mercier, de juwelier.