Voorbeelden van het gebruik van Kakken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wil je me zien kakken?
Ik moet weer kakken.
Ik doe het niet met mannen die ik heb zien kakken in het bos.
Kinderen moeten kakken.
Geen mannen die je hebt zien kakken?
De rest was bezet en ik moest kakken.
ik moet nu al kakken.
Zoals die paarden kunnen kakken.
En ik heb geen toilet gebouwd, en ik ga niet kakken op onze vloer!
Kakken en eten, meer doe je niet.
Ik kan alleen kakken bij mij thuis.
Kakken voor mijn anus bloed.
En Mr Pickle herinnert me eraan elke keer als ik ga kakken.
Ze zitten vast op een boot en kakken in emmers.
Maar vroeg of laat, dan raken ze verstrikt… Ga godverdomme kakken.
M'n broers laten je niet meer in de kattenbak kakken.
Ik moest toch kakken?
Ik kan niet eens rustig kakken op deze schuit!
Ja, jullie kakken nu op stand.
Nu gaat hij kakken.