Voorbeelden van het gebruik van Leif in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik ga er niet heen met Leif.
Heb je het over Leif?
Moeten we op Leif wachten?
Bedoel je Leif?
Leif en zijn bemanning verlieten Markland
NIELSEN LEIF III-Dk.
Als Leif's belangrijkste vrouw kreeg ik de sleutel van de voorraadkast overhandigd,
Welterusten, Leif.
Ik heet Leif.
Voor Leif altijd.
Ik ben Leif.
Daarom verdween Leif.
Waar is Leif,?
Hallo Leif, welkom!
Mr Leif Erland NIELSEN.
Nietwaar, Leif?
Jij bent Leif Garrett.
Leif moest dood!
Leif, vertel eens.
Wat is dit? Leif.