Voorbeelden van het gebruik van Lewis in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Lewis, wil je me even excuseren?
Mrs Dean, ik ben dr. Lewis.
Mag ik iets zeggen? Lewis.
We zijn Joe en Ethel Lewis uit Iowa.
Ja, ze ging ook naar hem. Lewis?
Hij zegt dat hij Lewis Profett heet.
Ik was het niet. Nee.- Lewis.
Bernard Lewis. Hij heet Bernard Lewis.
Maak plaats Richard Lewis, wij hebben Richard Lois!
Lewis, wacht!
Lewis was de zoon van Russische immigranten.
Lewis is nooit gestopt met optreden.
Lewis was een apologeet van het christelijk geloof.
Lewis werd geboren in 1941 in Oberlin in Ohio.
Jij hebt Lewis Zabel vermoord.
Lewis Zabel heeft zelfmoord gepleegd.
Zelfcatering Waarom zou u Lewis en Harris kiezen?
Lewis de piccolo vertelde het me.
Zeg hen Lewis Road af te sluiten.
Die de Lewis en Clark.