Voorbeelden van het gebruik van Ontrouw in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ghost was je ontrouw.
Ze roeien ontrouw uit.
Vraag hem hoe vaak hij mij ontrouw geweest is?
Beschuldig je me van ontrouw?
En dan haar ontrouw ontdekken.
Hij was niet expres ontrouw, maar uit domheid.
We kunnen wel onze ontrouw in het openbaar bekennen.
Dat is ontrouw en achterbaks!
Je vernietigen degenen die ontrouw.
losbandigheid, ontrouw en drank.
Rasputia, Je bent me ontrouw!
dat is ontrouw.
Dat ik ontrouw ben. Ik bewonder Mr Wilford,
M'n vrouw was me niet ontrouw geweest.
Tug Daniels… je wordt beschuldigd van het volgende… ontrouw, oneerlijkheid en respectloosheid.
Maar die aantijgingen van ontrouw.
Als reactie op zijn ontrouw.
Ik ga zeggen dat ik je ontrouw was.
een oord van samenzwering, verraad, verdorvenheid, ontrouw en onzedelijkheid.
We willen je niet ontrouw zijn.
