Voorbeelden van het gebruik van Pokeren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Was u aan het pokeren?
An8}Kunnen jullie pokeren?
Ik kan niet eens pokeren.
Ik kan niet pokeren.
Pokeren is eerlijk.
Ze zei dat hij altijd al wou leren pokeren.
Haar man. Die was aan het pokeren.
Verdorie. Ik leer hem pokeren.
Totdat m'n opa thuiskwam van pokeren.
Je kunt niet blijven gokken en pokeren.
Kan je wat pokeren?
Nee, ik was aan het pokeren.
Ik ga pokeren.
En je zei dat je kon pokeren?
Ik ga naar 't pokeren.
Zullen we pokeren?
We zouden pokeren.
Wij kunnen ook pokeren.
Jullie kunnen op m'n rug passen bij het pokeren.
Ze wilde gewoon pokeren.