Voorbeelden van het gebruik van Quiz in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Is dit een quiz?
Ik wil m'n excuses aanbieden voor dat gedoe met die quiz.
Hoe ging het vorige week met de quiz?
Dit is geen quiz.
Ik geloof niet dat dat deel van de quiz klopt.
Dit is geen quiz.
Geen quiz, wel een test. Komt er een quiz?
Bereidt u zich voor op een quiz?
Dit zijn de resultaten van een mentale leeftijd quiz.
Behalve de pub quiz.
Ja, ja, nee, ze heeft vandaag een quiz.
Het is net een quiz.
ik heb morgen een quiz.
Misschien was het toch geen quiz.
Er zal een quiz zijn.
Ik kijk graag naar series als Quiz of God.
Komaan, doe deze," hoe goed ken je jou partner?" quiz.
We kunnen niet op tegen de quiz op TV2 straks.
Je was vorige week niet bij de quiz.
Lords, dames en heren, tijd voor de quiz.