Voorbeelden van het gebruik van Studeer in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wat studeer jij?
Ik studeer bij Russel.- Wat? Wat?
Waarom studeer ik kinesiologie?
Waar studeer je?
Ik studeer al dagen en heb zeker niemand vermoord.
Wat studeer je? Dat zal ik doen?
Hier, studeer.
Ik studeer hard.
Ik studeer geneeskunde. Wat?
Waarom studeer je ook nog?
Wat studeer je?
Maar wat studeer je aan Yale?
Wat studeer je dan in India?
Hé, studeer gewoon.
Ik studeer boekhouden.
Ik studeer biologie aan de HU.
Wat studeer je nou in je vrije tijd?
Waar studeer je?
Waarom studeer je niet thuis?
Waarom studeer je dat niet?