Voorbeelden van het gebruik van Ambulance in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De ambulance is onderweg.
Bel een ambulance. Een hartaanval.
Dupont, laat de ambulance voor hem zorgen!
Ik bel een ambulance.
Begrepen, 61. Tweede ambulance onderweg.
Met mijn ambulance.
De ambulance is net aangekomen.
De ambulance is er over drie minuten.
De ambulance brengt u naar het ziekenhuis.
Ambulance spoedeisende hulp.
Hoeveel? Als de ambulance er eerder was, had hij nog geleefd?
Ik kijk in de ambulance.
Toen belde ik de ambulance.
Hij was dood tegen de tijd dat de ambulance arriveerde.
Owen, jij gaat met mij mee in de ambulance.
De ambulance pikte haar op, half bewusteloos op Gansevoort.
Ik heb een ambulance nodig op de werf.
Politie en ambulance zijn onder weg.
Bel een ambulance!- O, nee!
Van de ambulance zegt. Doe maar precies wat de man.