Voorbeelden van het gebruik van Coachen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Reeds jaren stellen heel wat roeiers en coachen hun vertrouwen in JL racing.
Jij moet coachen.
Ik denk niet dat de meiden coachen genoeg is.
Jij gaat ons voetbalteam niet coachen.
We eisen dat ze blijft coachen.
Mijn vriend Chef gaat ons coachen.
Ik blijf voorlopig coachen.
Jij gaat ons voetbalteam niet coachen.
Dus je bent aan het coachen.
Nou, we zouden hem moeten coachen.
Maar je kon het geen coachen noemen.
Ik had je moeten laten coachen vanaf het begin.
Er is een verschil tussen leider zijn en coachen.
Dus… Ik ga je coachen.
Iemand vlakbij was haar aan het coachen.
Ik zal je coachen.
Demonen heeft hij niet genoemd. Ze zegt dat we 'm coachen.
Had Patty me haar maar laten coachen.
Dat is niet coachen.
Mijn leerling coachen.