Voorbeelden van het gebruik van Kietelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik zal je kietelen.
Is jezelf kietelen niet hetzelfde?
Ik haat kietelen.
Ballen kietelen.
De staart kietelen van de draak.
Of schoppen of kietelen.
Dit kan kietelen.
Het is kietelen.
Ja, Kimba vond hem kietelen.
Ze kietelen.
De wereld van het kietelen.
Buikje kietelen.
Laten we hem kietelen.
Maar dat maakte geen eind aan het kietelen.
Wie kan mij het beste kietelen?
Dit kan wat kietelen.
Gelijk je piemel voor het eerst kietelen.
Het is gewoon… Buikje kietelen.
Laat me je buik kietelen.
Hij noemt het zijn klokkenspel kietelen, toch.