Voorbeelden van het gebruik van Pippin in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Pippin! Rustig aan!
Ik heb Pippin gevonden.
Rustig aan! Pippin!
Ik heb nooit Pippin gespeeld.
Pippin! Rustig aan!
Ze gaan Pippin opvoeren.
Zat hij in Pippin?
Ik was niet Pippin. Ik speelde in Pippin. .
We zaten samen in Pippin.
Zei ze"Pippin"? Klaar.
Merry en Pippin zijn veilig.
Gaat het, Mr Pippin?
Je bent geweldig, bedankt Pippin.
Pippin Foster, oftewel"de mond.
Zei ze"Pippin"? Klaar?
Klaar. Zei ze"Pippin"?
Ik zag jou optreden in'Pippin.
Delia Pippin. Werkt bij Ronnie's buurtsuper.
Delia Pippin. Werkt bij Ronnie's buurtsuper.
Zeph, dat is geweldig. Pippin?