Voorbeelden van het gebruik van Tweelingbroer in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Billy Winters, zijn tweelingbroer of zijn dubbelganger.
Hij heeft een tweelingbroer in Toronto.
Arthur. Ik ben Alexander, zijn tweelingbroer.
Oom Wally heeft gevochten met de geest van zijn tweelingbroer.
Hij was Justine's tweelingbroer.
Gechanteerd in een leven van misdaad door tweelingbroer Harry.
Het is m'n tweelingbroer.
Dit is hem, mijn tweelingbroer Chase.
M'n broer wel, m'n tweelingbroer Donald.
Jerome's tweelingbroer.
Ik ben Alexander, zijn tweelingbroer.
Ik heb een tweelingbroer genaamd George
Wat voor iemand is je tweelingbroer?
Maar dat is hij niet, want hij heeft een tweelingbroer: het moerasgoudvenstertje.
Hij is je tweelingbroer.
Maar wist Kyle van Seth af, zijn tweelingbroer?
Ja, ik ben je tweelingbroer.
Je broer was je tweelingbroer.
Hij was niet je tweelingbroer. Boosaardig.
Ben jij dan zijn tweelingbroer?