Voorbeelden van het gebruik van Uniform in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik moet mijn uniform strijken, voordat ik naar bed ga.
Het gat is uniform van diameter maar het patroon is willekeurig.
Dit is het uniform van een Amerikaanse verpleger.
Zij dragen geen uniform en geen wapens.
Als je dat uniform aantrekt, is hij er.
Ga naar de Well-Built Uniform Company, onze leverancier.
Ze had geen uniform aan.
Heerlijk zo'n uniform.
Ik draag het vereiste uniform.
zag ik mensen in uniform komen.
Ze is echt verpleegster. Ze heeft ook een uniform.
De majoor heeft schijnbaar geen uniform.
Een soort uniform.
Hetzelfde gezeik, ander uniform.
Ze waren allemaal in uniform.
Misschien moet je wel een uniform aan.
Had hij een soort uniform aan?
Dan brengt ze me koffie in een splinternieuw uniform.
kleine vrouw in een bruin uniform.
Ik moest het uniform betalen.