UNIFORM - vertaling in Frans

uniforme
uniform
eenvormig
gelijkmatig
egaal
uniformiteit
consistente
eenduidige
gelijkvormige
uniformément
gelijkmatig
uniform
eenvormig
gelijkelijk
constant
egaal
unique
één
enkele
single
eén
one-stop
unieke
enige
eenmalige
interne
enkelvoudige
homogène
homogene
gelijkmatig
een homogeen
consistent
naadloos
egaal
uniforme
unifié
verenigen
eenmaking
unificeren
uniformering
uniformisés
te uniformiseren
standaardiseren
te harmoniseren
uniformeren
gelijke
uniform
uniformisering
uniformes
uniform
eenvormig
gelijkmatig
egaal
uniformiteit
consistente
eenduidige
gelijkvormige
unifiée
verenigen
eenmaking
unificeren
uniformering
uniformisé
te uniformiseren
standaardiseren
te harmoniseren
uniformeren
gelijke
uniform
uniformisering
homogènes
homogene
gelijkmatig
een homogeen
consistent
naadloos
egaal
uniforme

Voorbeelden van het gebruik van Uniform in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Ik moet mijn uniform strijken, voordat ik naar bed ga.
Je dois repasser ma tenue avant de me coucher.
Het gat is uniform van diameter maar het patroon is willekeurig.
Il y a des trous, une uniformité de diamètre, mais c'est irrégulier.
Dit is het uniform van een Amerikaanse verpleger.
C'est la tenue de leurs infirmiers.
Zij dragen geen uniform en geen wapens.
Ils ne portent pas d'uniforme ni d'armes.
Als je dat uniform aantrekt, is hij er.
Quand vous serez en uniforme, il sera là.
Ga naar de Well-Built Uniform Company, onze leverancier.
Allez à la"Maison de l'Uniforme". C'est notre fournisseur.
Ze had geen uniform aan.
Elle n'avait pas d'uniforme.
Heerlijk zo'n uniform.
J'adore les uniformes.
Ik draag het vereiste uniform.
Je mets la tenue exigée.
zag ik mensen in uniform komen.
j'ai vu des gens en uniforme s'approcher.
Ze is echt verpleegster. Ze heeft ook een uniform.
C'est une vraie infirmière, avec l'uniforme.
De majoor heeft schijnbaar geen uniform.
Le commandant ne semble pas être en uniforme.
Een soort uniform.
Une sorte d'uniforme.
Hetzelfde gezeik, ander uniform.
C'est la même merde avec un uniforme différent.
Ze waren allemaal in uniform.
Ils étaient tous beaux en tenue?
Misschien moet je wel een uniform aan.
Et peut-être porter un uniforme.
Had hij een soort uniform aan?
Portait-il quelque chose qui ressemblait à un uniforme?
Dan brengt ze me koffie in een splinternieuw uniform.
Elle me sert un café dans une tenue toute neuve.
kleine vrouw in een bruin uniform.
petite femme portant un uniforme beige.
Ik moest het uniform betalen.
J'ai dû payer pour l'uniforme.
Uitslagen: 2680, Tijd: 0.0725

Top woordenboek queries

Nederlands - Frans